Home
Uitleen
door Johan Polak & Frans Goddijn
Een boek wordt uitgeleend, soms teruggebracht. Als het al wordt
teruggegeven, is het vaak vol gepend met krabbels, strepen en (op het
eerste gezicht) niets zeggende aantekeningen. Ook bibliotheekboeken
staan vol met dat soort ongevraagde toevoegingen. Daar hoort men kwaad
over te zijn en dat ik dat niet ben, kan geteld worden bij mijn toch al
geringe morele creditzijde. Aangezien het uitlenen van een boek tegelijk
een afscheid-nemen inhoudt, in de regel komt het boek immers niet
weerom, bezit ik een bijzondere uitleenkast, welke staat in een kamer
waar zich geen andere boeken bevinden. Deze kast raakt vanzelf leeg. In
die ene kamer stel ik mijzelf nooit de vraag: waar zal ik dat boek nu
eens neerzetten, waar kan ik deze bundel nog tussenschuiven? Ik sta voor
een bijna onbestofte boekenkast, waar de planken weinig te torsen
hebben, in vergelijking met de andere, niet zichtbare, kasten. Als ik
zulk een uitgeleend boek, dat ikzelf uiteraard niet heb gelezen,
terugkrijg, dan ben ik blij er krassen, uitroeptekens, aantekeningen en
een enkel vraagteken in aan te treffen. Vooral dat vraagteken intrigeert
mij. Wat heeft de lezer van dat boek nou eigenlijk te vragen? Zulke
toevoegingen brengen mij doorgaans op een idee. Komt het boek later in
een gezelschap ter sprake, dan kan ik er, op grond van deze krabbels en
leestekens, zonder het vooraf in zijn geheel gelezen te hebben, tamelijk
intelligent over meepraten. Vraagtekens suggereren dat op zijn minst een
deel van de tekst onbegrijpelijk is. Gezelschapjes die over boeken
spreken, zwelgen in het genot van het niet- of halfbegrepene. Wat boeken
uit de bibliotheek aangaat: niets is meer welkom dan de sporen van een
vorige lezer, mits het niet de plakjes sterk gezouten rookvlees zijn,
die drinkebroers in hun boek plachten te leggen, als bladwijzer, om een
bepaalde plaats te markeren, of om de dorst te stimuleren. Boeken uit de
bibliotheek zijn niet zozeer om te lezen als wel om uit te leren. Het
meeste kan worden overgeslagen, daar een ijverige voorganger de
belangwekkende punten, meestal op één vingernagel samen te
vatten, al heeft aangestreept.
Omgekeerd wekt de verwondering over de bijzondere data op het ingelegde
stempelbriefje een bijkomende, geenszins te onderschatten, vreugde:
Pushkins EUGENE ONEGIN, vertaald en van commentaar voorzien door Nabokov
- de uitgave kostte de grote schrijver de vriendschap met zijn
kunstbroeder Edmund Wilson - bleek al twintig jaar niet te zijn
uitgeleend, maar al die jaren onopgevraagd op zijn donkere schap te
hebben gerust, in een kunstmatig klimaat, als een schijndode die
mechanisch wordt beademd en gevoed... Wie was het, die deze serie van
vier deeltjes opvroeg, leende, en in elk geval terug moest brengen
vóór vrijdag 13 april 1984? Hoeveel jaren zal een nieuwe
uitlening op zich laten wachten, nadat ik het boekwerk heb
teruggebracht? Mijn zichzelf legende boekenkast kan de illusie wekken
dat mijn boeken zich hebben verspreid onder de mensen en gelezen worden,
dat zij reizen, van hand tot hand gaan. De bewakers van onderaardse
krochten, waar de wassende voorraad van nooit-meer-gevraagde
meesterwerken worden beheerd, kennen die illusie niet. Om die reden
koester ik mijn kale planken, en verheug mij in de belangstelling van
hen, die krabbels, opmerkingen, uitroeptekens in het geleende boek
aanbrengen. En een enkel vraagteken.