Thuis vond ik een fax van FS, die mij zijn herinneringen schreef:
"Afgelopen zondag, in de boerderij van mijn schoonouders, zat ik 's
ochtends na het wassen op de rand van mijn logeerbed in dezelfde kamer
die mij bij mijn eerste overnachtingen werd toegewezen. De kamer, het
raam en het uitzicht op de binnenplaats met de leeuweriken, het is
allemaal hetzelfde gebleven. Als ik mijn ogen sluit, ben ik
zevenentwintig, beneden hoor ik de tiener-zusjes van J. kwetteren en
alle doden leven nog.
Mijn eerste ontmoeting met Johan vond plaats in het Belvoir hotel in
Nijmegen. Ik had in die hotelkamer geen idee wie tegenover mij zat, wat
Johan deed of gedaan had, niets. Alleen wist ik dat hij jou goed kende
en veel van literatuur afwist. Op de een of andere wijze kwam het
gesprek op poëzie. `Of ik wel eens gedichten las en van wie?' `Mijn
God', dacht ik, `daar zul je het hebben; het misverstand is gerezen dat
ik wel eens wat lees. Ik lees, maar niets bijzonders, platgetreden
paden, nooit experimentelen, nooit gedichten die ik niet begrijp, niks
van enig belang. Hoe red ik mij hieruit?' In verblufte eerlijkheid
bekende ik veel van Bloem en Nijhoff te houden, en dacht: `wat kan het
mij ook schelen of hij vindt dat ik een belegen smaak heb, het is niet
anders'. Rutger Kopland noemde ik als derde, omdat ik dacht dat ik het
nu weer niet te gek moest maken met mijn onkunde van het eigentijdse.
Tot mijn verrassing, moet ik achteraf bekennen, bleek Johans esthetisch
gevoel af te wijken van dat van de gemiddelde leraar Nederlands, en
stemde hij in met mijn voorkeur voor de twee groten. Ik heb Johan maar
enkele keren gesproken, maar die eerste keer was richtinggevend voor
alle gesprekken. Zijn warme stem die zeer zuiver lange zinnen
contruerend kostbare details schilderde in het beeld van zijn geliefde
dichters. Kopland kwam die avond niet meer ter sprake. Wanneer we
elkaar zagen, voerden we elke keer opnieuw, maar met toenemende
hartstocht, in wezen hetzelfde gesprek."