Home
Ring
door Johan Polak & Frans Goddijn
"Stond U niet in de krant - gisteren?" Met enige trots, mijn ster is
blijkbaar rijzende, wil ik haar vertellen wat ik doe. "Nee, nu weet ik
het," vervolgt ze, blozend, "ik ben in de war. U bent de man van die
tekening van Peter van Straaten!" Ze beschrijft een typische Van
Straaten: een vrouw staat zich, moeizaam bukkend, bij een stoel aan te
kleden. Op het grote bed ligt een jongeman. Vergenoegd tegen kussens
geleund, een arm achter zijn hoofd gestoken, zegt hij "Ik heb me laten
afkeuren!" Mijn stukjes heeft ze wel gezien, maar nooit gelezen. We
spreken over het grote vuurwerk van de vorige avond. Ze praat snel en
associatief, als een opgetogen kind en ze vertelt, terwijl ze met haar
kleine vuist op haar borst slaat, hoe ze schrok van het slotakkoord, de
kanonslagen en de parachutes van licht. Deze herinnerden haar aan een
oproer in haar jeugd. Haar vader was een politicus en hun huis was op
een nacht omgeven door een menigte die het huis van buren in vlammen
zette, maar het hunne als door een gezegend misverstand overeind liet
staan. Welk oproer, vraag ik me af, en ik hoor haar buitenlands accent.
Vervuld van een zekere uitbundigheid door de verrassend snelle
kennismaking laten we laten elkaar familiefotoos zien. Achter een tafel
vol kadootjes in de tuin van een mooie villa staat een man, blond, hoog,
vierkante kaak en kalme blik. Een man, zo komt me voor, niet geplaagd
door twijfels als de mijne, die zijn schouders ophaalt voor wat mij
gelukkig maakt. Naast hem zijn zoon - "Op de Vrije School deed hij nog
zoveel andere dingen, hij sprak over alles met mij, maar nu is hij zijn
vader achterna...". Ze kijkt me aan. Haar lichte ogen staan wijd uiteen
en ik weet niet of ze mij ziet, dromend naar mij staart of meer van mij
weet dan ik denk. Ze heeft steeds een vragende uitdrukking op haar
gezicht. Ik probeer iets aardigs te zeggen over de man op de foto, maar
ze stopt deze weg. Ze vertrouwt me toe dat haar man is vertrokken. Ze
wil niet zeggen waarom. Het besluit is pas kort geleden gevallen. Zij
"kan er niet eens aan denken zonder te moeten huilen. Ik houd zo
zielsveel van hem en ik draag zijn ring." Zij legt haar hand op
tafel.
De smalle ring, de gouden band
Schendt niet de naaktheid van uw hand,
Gelijk uw stralend lijf niet weet
De schaduw van zijn donkre kleed:
Uw stralend lichaam lijdt noch weet
De schaduw van zijn donker kleed,
Zooals geen lijf of stof bezwaart
De ziel die door Uw oogen klaart:
Geen aardsche lijf, geen stof bezwaart
De ziel die door Uw oogen klaart,
Als smalle ring, als gouden band
Niet schendt de naaktheid van uw hand.
[P.C. Boutens, "De smalle ring"]