"Schrijfangst heb ik altijd gehad", faxt mij Freek, nota bene mijn meest creatieve penvriend. "Opstel schrijven was op school steeds een martelgang. Ik was nooit binnen de gestelde tijd klaar, mocht mijn concept dan mee naar huis nemen, waar ik de tekst minstens drie maal opnieuw opzette, tot diep in de nacht doormodderend en worstelend. Uiteindelijk moest ik me, misselijk en oververmoeid, tevreden stellen met een verknoeide en afgeraffelde eindversie. Ik kan het nu wel bekennen - het diploma zal me niet meer worden afgenomen - dat ik mijn hoge cijfer voor het Nederlandse opstel bij het eindexamen door fraude heb verworven. Tegen dit onderdeel van het examen had ik het meeste opgezien, meer nog dan tegen Tacitus of wiskunde, ook geen geringe tegenstanders. Ik had angstvisioenen van drie uur lang in de examenzaal te zitten, zonder één woord te kunnen schrijven, hopeloos alleen en onmachtig aan mijn tafeltje, op kousenvoeten, op het zachte, licht naar zweet ruikende, zeil van de gymnastiekzaal. Ik was er immers nooit in geslaagd gewoon onder lestijd een opstel te schrijven en af te ronden? Ik besloot alle eergevoel overboord te zetten en een aantal verhalen van onbesproken reputatie uit het hoofd te leren en een daarvan onder een min of meer passende titel te reproduceren. Met een lijst van tien keuzetitels moest het mij lukken een verbinding te vinden tussen de opdracht en een bestaand verhaal. Als voorbereiding koos ik een bundel met korte verhalen van Guy de Maupassant, in het vertrouwen dat mijn bedrog hierdoor minder snel zou worden ontdekt - niet veel Nederlanders lezen Frans. Ik werd niet teleurgesteld. Onder de voorgeschreven titel "De gevaren van de luchtvaart" herschreef ik "Le Horla" van Maupassant. Riviermond werd startbaan, zeeschepen werden passagiersvliegtuigen en voor het overige hoefde ik nauwelijks iets aan te passen. Ik kreeg een negen, met een persoonlijke gelukwens van de rijksgecommiteerde. Mijn leraar was trots op mij, mijn ouders toonden zich gelukkig en mijn klasgenoten waren vol bewondering", zo besluit Freek zijn bekentenis.
Maar ook zelf ben ik een fraudeur, zo is nu uitgekomen. "Ik nam met meer dan gewone belangstelling kennis van uw zopas verschenen boekje", schreef mij een Nederlands geleerde. "Die belangstelling nam bij het lezen nog toe, aangezien bepaalde regels mij in hun betoverende schoonheid bekend voorkwamen. Geen wonder: ik ben zelf de eerste auteur ervan!" En hij had gelijk... mijn olifantengeheugen, eertijds een zegen, wordt langzamerhand een plaag. Artikelen, die ik als geheel in mijn hoofd placht te concipieren voor ik een woord ervan op papier zette, schrijf ik de laatste jaren van meet af aan met de tekstverwerker, al komen er af en toe welkome tekstflarden terug, die ik ooit heb bedacht en in mijn geheugen gekoesterd, ze tijdens slapeloze nachten herformulerend. Maar mijn oude fotografische, nu vergeelde-kiekjesgeheugen, vertelt er niet steeds meer bij of de herinnerde woorden mij ooit door de muze zijn ingegeven, of door lezing zijn bijgebleven! Vertwijfeld vraag ik me vandaag, bij het schrijven, af: hoeveel van wat ik weet en bedenk, is werkelijk van mijzelf?
"De ouden waren zoals bekend op dit gebied beduidend laconieker. Wellicht gaat het ook weer zo in de toekomst en verdwijnt in deze postmodernistische tijden niet alleen het onderscheid tussen feit en fictie maar ook dat tussen schrijven en overschrijven. Dan is dit curieuze voorval geen teken van decadentie maar een teken des tijds." [H.L. Wesseling, in Maatstaf okt.1991]