Freek was blij met de treinbrief: -je weet, dat ik een speciale voorliefde heb voor wat op rails rijdt. Mijn geboortehuis langs aan de route van de "Blauwe Tram", eertijds een begrip in Noord- en Zuidholland. Mijn eerste levensuren in de vroege zomerochtend waren gedompeld in de hese fluittonen van De Blauwe, misschien komt het daardoor. Herken je er iets van in dit gedicht?
Verwachtingen en haren eenmaal grijs
zijn niet als nevelen van het hoofd te vagen,
mijmert de trambestuurder, bij de slagen
der ruitewissers, mogelijkerwijs.
De eerste rit is altijd weer een reis.
Full speed. Hij ziet bij 't zingen van de wagen
oude onvergankelijke winterdagen
als niemand voor hem uit was op het ijs.
(M. Nijhoff, "voor dag en dauw III")
Ik veroorloof mij het jammer te vinden, dat Nijhoff het niet bij deze twee strofen heeft gelaten,« schrijft Freek verder in zijn brief, »maar het sonnet moest blijkbaar af. 's Ochtends op de snelweg, op weg naar mijn baan, denk ik vaak aan dit gedicht. Al die mannen in auto's, heel wat grijze verwachtingen die daar in dezelfde richting gaan. En alle nemen ze de juiste afslag naar hun eigen fabriek. Ik ook, zij het vaak een seconde lang bekropen door de gedachte om recht door te gaan, de horizon tegemoet. Zo zal ik morgenochtend ook even aarzelen bij de afslag "Industrieterrein Westkanaaldijk" Ik zal die afslag wel nemen, maar niet nadat ik even heb gespeeld met de gedachte plankgas te geven, om een uurtje later met jou in Scheveningen koffie te kunnen drinken.