Oscar Wilde, zojuist uit de gevangenis ontslagen en in vrijwillige ballingschap, liet zich in Frankrijk door Ernest Dowson overreden om een bordeel te bezoeken. Misschien, zo was de gedachtengang, zou hij dan weer een beetje "normaal" worden. In Dieppe, aan de Normandische kust, moest Wilde zijn verhouding tot de andere sexe in het reine brengen. Echter, toen Wilde weer bij zijn vriend kwam - had deze buiten, in de regen gewacht, of in een zijkamertje mogen blijven, een armoedige ruimte met bevlooide leunstoelen en een primitieve tweepersoons-bar? - sprak hij tot Dowson: "The first these ten years, and it shall be the last. It was like chewing cold mutton. But tell it in England, where it will entirely restore my reputation" (Voor het eerst in tien jaar, en voor het laatst ook. Net of ik koud schapevlees kauwde.... Maar zeg het voort in Engeland, waar het mijn reputatie geheel zal herstellen) [Ellmann]. In onze jeugd werd gezongen wanneer een moeder van de kapper kwam: "Elle était frisée comme un mouton", een liedje van de toen populaire Maurice Chevalier. Deze anecdotiek van Wilde's bordeelbezoek is in vele talen overgeleverd. Mijn eerste boek over Oscar Wilde was de Duitse vertaling van het boek van de schrijver-journalist Hesketh Pearson. Ik wist toen niet goed wat een bordeel was, maar vond de passage zo fascinerend dat ik de woorden heb onthouden: "Es war wie kalte Hammelsbraten!" Toen, in dàt boek, was het bordeelbezoek niet beperkt tot Wilde en Dowson, maar telde het gezelschap meer personen.
Vanochtend maakte ik met mijn maat een vroege wandeling langs de dames die de ganse nacht in touw waren geweest: zegge en schrijve twee donkere, doodvermoeide vrouwen zaten te wachten op wie niet was gekomen. Eén knikte ons vriendelijk toe, overigens zonder merkbare illusie dat wij onze pas zouden inhouden, de ander lag dubbel in haar plastic kuipstoeltje, met de laatste kracht die in haar was, om de jeuk aan haar voetzolen te bestrijden.