Home
Lindbergh
door Johan Polak & Frans Goddijn
Vrienden van een Arnhems echtpaar, eigenaar van een bijzondere
kartonnagefabriek zenden elkaar regelmatig levensberichten op
handgemaakte kaartjes. Deze worden vervaardigd door een keurige heer,
die samen met zijn vrouw deze kartonnagefabriek draaiende houdt in het
souterrain van een vervallen herenhuis in het Arnhemse Spijkerkwartier.
Met zekere regelmaat komt eenieder - vrienden en zakenrelaties - een
kopje koffie drinken bij mevrouw E., een grote, trotse vrouw die regeert
over het oeroude machinepark èn over haar man W., die haar
opdrachten (koffie zetten, een document opzoeken, dozen ontwerpen)
dankbaar aanvaardt en even prompt als geruisloos uitvoert. E. kwam veel
later dan haar man in de fabriek, maar wist met haar scherpe inzicht de
zaak te redden toen in de zestiger jaren vele collega's het loodje
legden tegen de moderne verpakkingsindustrie. Aan de wand hangt een foto
van de grote fabriekshal die W.'s vader ooit bezat, op het hoogtepunt
van de industriële revolutie. Overal waar plaats is, staan
overgebleven gietijzeren, perfect onderhouden, machines voor het
snijden, rillen en vouwen van kartonnen platen. Museumexemplaren die nog
steeds dienst doen bij het produceren van kleine series dozen. 's
Zaterdags is W. alleen in zijn fabriekje, waar hij dan nieuwe doosvormen
bedenkt, of geschenken maakt van papier en karton: notitieblocs,
hardkartonnen beschermhoezen voor documenten, maar ook, voor de
kinderen, kleurige plakpapiertjes in allerlei figuren waarvoor hij de
mallen zelf ontwerpt. Deze geschenken worden opgetast in "het kamertje",
waarheen hij de gasten mag meetronen, nadat ze eerst bij zijn vrouw op
audiëntie zijn geweest. Na het gesprek met haar, doorgaans een
hartelijk kruisverhoor of een liefdevolle donderpreek, is de overgang
naar de op fluistersterkte converserende, onberispelijke W. opmerkelijk.
Bij vrouwelijke relaties werkt dit erg vertederend, en in het kleine
cadeau-kamertje, de enige plaats die zich aan de onmiddellijke
supervisie van Moeder E. onttrekt, wordt broze Vader W. weleens
voorzichtig geknuffeld terwijl dan dit, dan dat zorgvuldig in elkaar
geknutseld kartonjuweel wordt weggeschonken. E. eist daarentegen een
openlijke en innige omhelzing van haar gasten, en berispte laatst, op
luide toon, een vriendin om haar onvoelbare lucht-zoen. Deze vriendin,
F., keerde eveneens naar huis terug met een prachtige doos vol kaartjes.
Op een zo'n kaartje schreef zij mij gisteren: "Ik reed door de nacht, en
zag niets dan de strepen middenop het diepzwarte asfalt. Voor mijn
gevoel was ik al lang weg uit de vergadering, nog maar net afgelopen,
terwijl mijn gezin verder weg leek te zijn dan ooit. Even later schrok
ik wakker - ik reed nog, de witte strepen verdwenen trouw, maar sneller
nu, onder mijn linkervoorwiel... en alsof het niet gek genoeg was, kwam
ik voorbij een groot bord, waarop stond 'vriendelijk dank voor Uw
medewerking'!" Een ervaring uit de magische ogenblikken die
plaatsgrijpen tussen slaap en halfslaap, onderweg in een modern vehikel.
De piloot/auteur Saint-Exupéry schreef veel over zijn louterende
gang door het niemands-gebied tussen wolken en over een veilige landing
tussen medemensen tot wie hij niet kon spreken over wat hem was
overkomen. Ook Kurt Weill en Bertold Brecht gaven vorm aan deze toverij,
in hun opera "Der Lindberghflug". De jonge vliegenier Charles Lindbergh
heeft zich aangemeld voor de eerste solo-vlucht over de Atlantische
oceaan. Vele gevaren bedreigen de piloot, waarvan een opkomende
vermoeidheid niet de geringste is. De vertellers geven in de
oeropvoering van 1930, ook vandaag op CD verkrijgbaar, meertalig
commentaar: "Lindbergh spricht mit seinem Motor", zegt de eerste.
"Lindbergh speaks to his motor!", kondigt de ander deftig aan. "Dialogue
de Lindbergh avec son moteur...", verzucht de derde. "Jetzt iss es nicht
mehr weit, jetzt müssen wir uns noch zusammen nehmen, wir zwei",
spreekt Lindbergh tot zijn machine. "...der Nebel, das ist meine Sache,
du macht deine Arbeit... Es ist gar nicht mehr weit, jetzt kommt schon
Irland, dann kommt Paris. Werden wir es schaffen, wir
Zwei?