Vandaag huilt moeder: zij is bezorgd om het huwelijk van haar zoon. Haar schoondochter is een paar dagen van huis en het steekt haar hoe weinig verdriet haar zoon daarvan lijkt te hebben. Zou er een andere vrouw...? Ik, ook een beetje verliefd op haar zoon - hij, de knaap die alle ouders als schoonzoon zouden wensen - stel haar gerust en tracht het gesprek te redden door haar te vragen naar zijn vroege kleutertijd. Haar soepele geest is subiet afgeleid, nu ik een andere oude bron van haar herinnering heb aangeboord. Tot in het kleinste detail beschrijft moeder de kinderkleertjes, die zij alle zelf heeft gebreid of gehaakt, en zet daarna een wiegeliedje in. Moeder en haar, reeds hoogbejaarde, gast zingen samen, nog voor de pudding uit de vorm wordt gestort en de slagroom zal worden geklopt, een heel repertoire aan kinderliedjes, met tranen in hun ogen. Bij een enkel vers bewegen we onze handen mee, boven tafel, en door het felle keukenlicht beschenen, moeten we een vreemd schouwspel vormen voor de mensen die buiten, aan de overkant, bij een snack-kar, peinzend hun frietje staan te eten.
Hompeltje en Pompeltje die klommen op 'n berg.
Hompeltje was een kabouter en Pompeltje een dwerg.
Ze klommen boven op het topje en knikten met hun kopje.
Toen zijn ze diep in de berg gekropen, en
niemand heeft ze meer zien lopen.
Hoewel ik de gebaren was vergeten, keek ik met verbazing hoe mijn oude gewrichten het nog moeiteloos wisten; even gedachteloos als ik het zelf vroeger in de kleuterklas had meegedaan, bewoog ik nu mijn vingers, zag de twee dwergen met hum kopje knikken en voor altijd uit het zicht verdwijnen.