Nu de oudste stadskern meer en meer tot winkelcentrum wordt geplaveid, raakt de kleine nering daarbuiten in verval. Een slijter zingt het uit met mierzoete likeurtjes die in een piepklein glaasje worden gedronken door oude vrouwen, na de mis. Een kleine verkooporganisatie in dierenbenodigdheden prijst, ``voor wie van zijn huisdier houdt'', een aantal ingenieuze zakjes aan: neem een zakje uit de verpakking, vouw dit open, leg de opening over de verse hondedrol van Uw lieveling, schuif de twee kartonnetjes daaronderdoor zodat de ontlasting in het zakje belandt en draag, aan het aldus verkregen praktische handvat, dit zakje naar een gemeentelijke vuilcontainer.
De sigarenwinkel op de hoek, waar ik vroeger weleens een rokertje haalde voor een nu overleden vriend, gaat het al evenmin voor de wind. Binnen bevinden zich, wandhoog opgetast, oude voorraden tabakswaren, maar in de etalage aan weerszijden van de winkeldeur liggen op een verschoten doek kleine, glimmende periodieken vol vuiligheid. Als jongen kocht ik mijn eerste sexblaadjes ook in zo'n tabakswinkel in zijn nadagen (die winkel is verdwenen -- er staat nu een alweer armoedig geworden renovatiewoning). Zou er een vertegenwoordiger in deze blaadjes zijn, met een fijne neus voor bederf? Dan heeft hij deze winkel geroken, en de oude weduwe, moeilijk ter been, bereid gevonden zijn waar aan te bieden in ruil voor wat extra aanloop. Wie haar zaak passeert, komt langs haar woonkamer, onmiddellijk daarachter gelegen. Hier zijn de vensterramen zo mogelijk nog helderder dan verderop en niets in deze huiskamer blijft zo ongezien vanaf de straat. En toch valt er nauwelijks iets waar te nemen dat op mijn netvlies de geringste indruk achterlaat: bankstel, wandmeubel, radio, televisie. De eetkamertafel met daaroverheen een dik, gebreid sprei. Geen fruit, wel een bloeiend kamerplantje dat niet te veel water moet hebben.
``Hier heb ik mijn winkeltje, dat ik al jaren bezoek en waar ik de oude juffrouw voor de tienduizendste maal zal horen zeggen wat zij van het weder denkt. Ja, ik geef toe, regen. Motregen, preciseert zij. Ja, eigenlijk motregen. Want ik zou die stalagmiet, waarvan ik de langzame vordering van naderbij gevolgd heb, voor geen geld ter wereld durven tegenspreken.''
[Willem Elsschot, Het Dwaallicht, Querido 1969]