"Hier op mijn werkkamer in huis staat een naoorlogse slaapkamerkast, waarin moeder vroeger het linnengoed van het gezin en haar eigen nette kleren bewaarde. Aan de binnenzijde van de kastdeur prikte zij met punaises knipsels uit Libelle, een gedichtje uit een krant of een leuke afbeelding uit een geïllustreerd tijdschrift. Kleine levenswijsheden van een soort waar ik al snel op begon neer te kijken. Niet veel zaaks voor een adolescent.
Een breed, bewerkt buffet; het donker eiken is
Heel oud en heeft de lucht van oudjes aangenomen;
't Buffet staat open, en laat in zijn duisternis
Als oude wijn uitnodigende geuren stromen;
Daarbinnen ligt een warboel van versleten spullen,
Van geel en geurig linnengoed, een hele sliert
Vrouwen- of kinderkleren, duffe kanten prullen
En shawls van grootjes, met griffioenen opgesierd;
- Daar zijn nog medaillons te vinden, lokken blank en
Blond haar, portretten en gedroogde bloemenranken
Waarvan de geur vermengd wordt met geuren van fruit.
- O ouderwets buffet, jij zag heel wat gebeuren,
En je wilt het vertellen, en je maakt geluid
Als langzaam opengaan je grote zwarte deuren.
["Het buffet", Arthur Rimbaud, vert. Paul Claes]
De kastdeur is nu leeg van binnen, papier en punaises zijn verdwenen, ik weet niet waarheen. Maar wanneer ik erg treurig ben, open ik de oude linnenkast en tast met mijn vingertoppen over de binnenzijde, waar nog steeds gaatjes in zitten. Als ik nu nog eens de kans zou hebben te zeggen dat die knipsels zo mooi waren. Misschien zou ik dan ook kunnen uitleggen dat het me voor moeder spijt, dat ik in zo'n rare loopbaan terecht ben gekomen, terwijl zij zoveel van mijn studie had verhoopt. Ik wil niet verhelen, dat ik mijn opzichtige auto ook voor háár heb gekocht. Ik dacht, dan kan in de flat waar zij woont iedereen zien dat van haar zoon tòch iets is terecht gekomen. Bovendien kon ik haar, met haar door borstkanker aangetaste rugwervels, meenemen in een zacht geveerde auto. Maar die auto vervreemdde ons juist van elkaar. Ik, zo brutaal financieel geslaagd, mijn moeder verschrompeld naast mij in de veel te grote autofauteuil. Ouders willen helemaal niet dat hun kinderen "slagen". Zij verlangen dat zij begrijpelijk blijven, omvatbaar. Aan mij viel voor haar niets meer te omvatten, te koesteren. Ik was verre van onbeholpen geworden, ogenschijnlijk. Dat zal zij hopelijk hebben doorzien".