De meest door verzamelaars belaagde van allen is nu, als we zijn verzuchting in Het Parool van 13 oktober 1990 ernstig mogen nemen, de dichter, romancier, essayist en entertainer Boudewijn Büch. "Het moet afgelopen zijn", roept hij verbitterd en hij doelt op de krankzinnige prijzen, die worden betaald voor zeldzame uitgaafjes, feuilles volantes of bibliofiel gedrukte verzenbundels met werk van zijn hand. J.C. Bloem stelde echter al vast dat "gepubliceerde verzenbundels grafheuvels zijn voor wie ze heeft geschreven". Hij voegde daar nog aan toe dat hij tevens "had overwogen dat eenmaal gepubliceerd werk niet meer mij alleen toebehoort". Boudewijn Büch beschrijft, op de wijze waarop hij alleen dat kan, ineen notedop de drukgeschiedenis van zijn werk. Klagend en boos, maar toch met een onmiskenbaar zelfbehagen wordt hij, in het vuur van zijn betoog, als de predikant, die met zichtbaar genot de zonde in de gewaagdste kleuren afschildert, zodat de hel een veel aantrekkelijker oord gaat lijken dan de hemel!
All this the world well knowes yet none knowes well,
To shun the heauen that leads men to this hell.
(Shakespeare, sonnet 129)
Wie weet die hel te vermijden wanneer hij de volgende regels van Boudewijn Büch heeft gelezen, typografisch vorm gegeven, gezet en gedrukt op de handpers van de meesterdrukker Ger Kleis en zich daarmee in de hemel waant?
ondanks dat sterven op reis leek weg
te groeien, is één van hen de dood:
de vader draagt een zeis en wat te hoog
bloeit zal hij snoeien. Terwijl de jongen
onhoorbaar in de afstand praat, snijdt
ijzer door wat aan de wegkant staat
(NOHANT)
Zoiets wil je toch hebben, ook in de meest patserige editie?